Gnoth (2003)

Gnoth C., Frank-Herrmann P., Freundl G.

Angepasstes Management bei unerfülltem Kinderwunsch’

Geburtsh Frauenheilk 2003-63: 124-129

Omwille van de precaire situatie van de financiën binnen de gezondheidszorg, laait de discussie rond diagnostiek en therapie bij onvervulde kinderwens opnieuw op. De voorbije
twintig jaar is de kinderwens helemaal ingepland in de carrière van de ouders. Daardoor is het niet zelden dat vrouwen twintig jaar voorbehoedmiddelen gebruiken alvorens aan kinderen te beginnen. Dat betekent dat slechts een kwart van de vruchtbare jaren van de
vrouw voor kinderwens gebruikt wordt, en deze jaren zijn dan nog de minst vruchtbare. Echtparen nemen dan ook gauw hun toevlucht tot medische begeleiding, waardoor vaak
naar invasieve technieken gegrepen wordt. Nochtans bedraagt het aantal levende geboorten bij onbehandelde subfertiele paren na 36 maanden nog steeds 55%.
De auteurs hebben naaste de eigen studieresultaten, verschillende studies vergeleken en komen tot voor NFP interessante bevindingen.
Gegevens uit grote studies (ondermeer Colombo e.a. met 7017 cycli van 881 vrouwen) geven aan dat de kans op zwangerschap het hoogste is één tot twee dagen vóór de eisprong
(verondersteld op de dag vóór de temperatuurstijging). De maximale conceptiewaarschijnlijkheid is 25,5% per cyclus. Bij vrouwen tussen 19 en 26 jaar is de kans twee keer zo hoog als bij vrouwen tussen 35 en 39 jaar. Als de man ouder is dan 35 jaar is er ook een significante daling in de kans op zwangerschap. Belangrijk is de vaststelling dat de waarschijnlijkheid op zwangerschap bij paren die maximaal 5 IVF/ICSI-cycli hebben doorlopen, niet hoger ligt (54,5% bij 1315 patiënten in een studie van Stollwijk e.a.).
Alleen vrouwen met een secundaire steriliteit (te wijten aan beschadiging, ovulatiestoringen en dgl.) hadden de eerste twee cycli meer kans op een zwangerschap.
De ervaring in het studiecentrum van D?orf geeft aan dat reeds na zes maanden van subfertiliteit sprake kan zijn. Daarom doen ze dan al een reeks eenvoudige onderzoeken, waarna ze de helft goede en de helft slechte prognose kunnen vaststellen. Voor de slechte prognosegroep is het nodig om verder onderzoek te doen. De andere groep is een ideale doelgroep voor NFP-begeleiding.
Ook vrouwen met een ‘minor’ endometriose ‘AFS Stadium 1-2) kan hier terecht, weliswaar met een afgenomen zwangerschapskans van 36%.
De auteurs van deze studie hebben ook de NFP-waarnemingen van 49 vrouwen gevolgd en stellen vast dat met slijm en temperatuur de objectieve ovulatie betrouwbaar kan worden vastgesteld. Dit is belangrijk voor verder diagnostisch onderzoek, om bijvoorbeeld een verkorte luteale fase te kunnen vaststellen. Het zogenaamde fertiele venster (6 dagen tot aan de ovulatie) kan met NFP heel goed worden vastgesteld (in tegenstelling tot wat Wilcox in een eerdere studie beweerde).

Besluit

Bij vermoeden van subfertiliteit (na zes maanden onvervulde kinderwens) gaat de reproductieve geneeskunde te snel over naar belastende therapie. Een basisonderzoek na zes maanden kan een onderscheid maken tussen goede en slechte prognose. Paren met goede prognose kunnen dankzij NFP het fertiele venster beter waarnemen (weten wanneer gemeenschap het gunstigste is), maar ook sneller eventuele problemen ontdekken. NFP biedt ook het voordeel van de anonimiteit. Paren die heel vroeg met NFP beginnen (nog voor die zes maanden dus) kunnen hun vruchtbaarheidsbewustzijn gebruiken, nog voor hun kinderwens onvervuld is geworden. NFP zou globaal zo’n 60% van de paren kunnen helpen om spontaan zwanger te worden zonder enige medische tussenkomst.

Schuiven naar boven