Circadiaanse ritme

Het feit dat de temperatuur bij een sympto-thermale methode altijd binnen een bepaald tijdvenster – ’s ochtends, na het wakker worden en voordat je opstaat – wordt gemeten, heeft te maken met standaardcondities en veranderingen in fysieke fenomenen onder invloed van het circadiaanse (24 uur) ritme, d.w.z. fluctuaties afhankelijk van het tijdstip van de dag.

Prof. Döring, de vader van de temperatuurmethode, schreef niet alleen zijn habilitatie-scriptie over dit complex van vragen, maar heeft ook verschillende proefschriften over het circadiaanse ritme begeleid.

Al in 1961 onderzocht Roberte Wiegand bij 19 gezonde vrijwilligers tussen de leeftijd van 23 en 27 jaar het aanpassingsvermogen en ontdekte een duidelijk 24-uursritme. Hij vond het beste aanpassingsniveau tussen 7 en 10 uur, het laagste tussen 22 uur en 6 uur, wat in lijn is met andere waargenomen vegetatieve tonusfluctuaties. De temperatuur is het laagst in de zeer vroege ochtend en stijgt vervolgens naar het hoogste niveau in de late avond.

Schuiven naar boven